Harry en twee meesters

Harry en de twee meesters  is een vermakelijk middeleeuws spel, dat zich afspeelt op een locatie, een herberg, waar personages in en uit lopen. Jon van Eert heeft het stuk geschreven en staat zelf in het middelpunt. Het is een komedie, waarin verwarring heerst onder de personages. De andere personages zijn niet bijster interessant en jammer genoeg komen er maar weinig absurde monologen van John van Eert zelf voor. Het verhaal zit wel erg goed in elkaar en zowel het decor als de kostuums zijn prachtig. Een heerlijk avondje uit.

Hier is wat ik denk – Wouter Deprez

Cabaret is moeilijk. Zo moeilijk zelfs, dat ik op een gegeven moment het idee had dat ik het helemáál niet meer leuk vond. Gelukkig laat Wouter Deprez me inzien dat er nog wel mensen zijn die het vak van cabaretier goed beheersen. Hij vertelt een interessant verhaal over zijn reis naar Afrika met zijn vrouw. Hij ontstijgt het niveau van praten over binnenlandse politiek en de dikke man die je eens in de bus hebt gezien, zoals veel andere cabaretiers vaak doen. Af en toe leest hij een mopje voor uit een boekje. Hij is het sterks als het absurd wordt. Bijvoorbeeld wanneer hij zegt dat we met zijn alle de supermarkten moeten overvallen en onszelf op fruitweegschalen moeten wegen om te weten te komen hoe veel we waard zouden zijn als we een hele grote banaan zouden zijn. Hij heeft het veel over zijn relatie met zijn vrouw: over te weinig seks vooral. Dat ze daar niet meer aan toe komen. Zijn interactie met het publiek vind ik grotendeels sterk. Wanner hij aan het publiek vraagt wie er porno kijkt en niemand zijn hand opsteekt, zegt hij: ‘Vreemd dat ze het dan nog maken, dat maken ze dan uit een soort overtuiging en passie.’ Soms ratelt hij heel snel achter elkaar. Het is dan moeilijk hem te volgen, maar het is leuk om te zien dat hij zo zijn best doet. Een goede cabaretvoorstelling, zoals we dat gewend zijn van de Vlamingen.  

De Kleine Blonde Dood

Op het podium staat in het midden een witte kleine doodskist, een beklemmend symbool. Wanneer William Spaaij, in de rol van Boudewijn, tegen de kist begint te praten, komt er een jongetje uit. Dat jongetje, Misky, is in het verhaal al dood en Baudewijn praat met hem in gedachten. Als kijker ga je terug naar het verleden van Boudewijn en Micky. Het wordt af en toe te warrig, omdat het kleine jongetje soms ook Boudewijn in zijn vroege jaren speelt. Over het thema ‘kinderdood’ kun je beter geen musical maken, of in ieder geval niet op deze manier. Wanneer échte emoties naar voren moeten komen, doet Spaaij zijn handen voor zijn gezicht en begint hij een liedje te zingen. Bovendien zijn de liedjes niet sterk genoeg om de zwakke verhaallijn te compenseren. Een liedje in het bijzonder wordt de hele voorstelling door gezongen, terwijl het geen topnummer is. ‘En de wind die ik zaai, is altijd windtegen.’ Sinds wanneer kan je wind zaaien? Omdat Micky elke keer weer opstaat, komt het niet meer echt geloofwaardig over wanneer hij écht dood is. Een net uitgewerkte musical, maar daar houdt het voor mij op.